Vering setup

Introductie

Helaas is er geen boek geschreven waarin staat wat de perfecte vering set-up is. Vering set-up is individueel afhankelijk van de rijder (rijstijl, voorkeur) en wegomstandigheden die van dag tot dag, of van circuit tot circuit veranderen. Ik kan u alleen wat richtlijnen en basis begrippen aanreiken voor de vering set-up van uw motorfiets.

Hoofdregel

Algemeen geldt dat de vering van uw motor de banden moet ondersteunen om een zo goed mogelijke grip te kunnen creëeren. Om deze reden speelt de vering een grote rol in bochten, chicanes, onder acceleratie en remmen. In een rechte lijn is de vering in orde wanneer het de hobbels en kuilen kan absorberen zonder instabliteit in het rijwerk te veroorzaken.

Veerweg

Een motorfiets zal normaal gesproken niet de gehele veerweg mogen gebruiken. In enkele gevallen zal, zoals bij het nemen van drempels of curbstones, de vering compleet benut worden. Wij noemen dit het aanslaan van de vering. Ook na het landen na een wheely of stoppy kan het voorkomen dat de vering aanslaat. Dit betekent niet direct dat de vering harder gezet moet worden.
Wanneer de vering compleet aanslaat op plaatsen waar maximum grip nodig is, kan de band niet de volledige grip bieden die op dat moment nodig is, omdat de band dan gaat werken als een verlengstuk van de veer. En dat is nou juist wat we niet willen! Afstellen van de vering wordt dan noodzakelijk. Tijdens het rijden is het noodzakelijk dat u de vering in de gaten houdt. U kunt dit op gevoel doen, maar een kabelbandje rond de voorvork en de achterspindel doen dit ongemerkt beter. Wanneer u harder gaat rijden of wanneer de belasting op de motor toeneemt, krijgt de vering het harder te verduren, dus zal er aan de vering gewerkt moeten worden. Met droog weer zal een hardere setting mogelijk zijn, tijdens regen het tegenovergestelde.

Voordat u de vering gaat verstellen leest u eerst in het handboek waar de instelknoppen van de vering zich bevinden.

Tip: Verander altijd maar 1 instelling zodat u het effect van deze instelling leert kennen.
Schrijf elke verandering op zodat, wanneer het rijgedrag van de motor verslechtert, u altijd terug kunt naar de vorige situatie.

Negatieve veerweg

Wanneer u de motor rechtop houdt kunt u als het goed is de motor nog een klein stukje uit de vering omhoog trekken. Dit noemen we de negatieve veerweg. Deze negatieve veerweg hebben we nodig wanneer we door een kuil rijden. De wielen zullen op deze manier wegcontact blijven houden.

De lengte van deze negatieve veerweg is per motortype verschillend.

Soort motor
Voorvering
Achtervering
Onder 500 cc
15-25 mm
5-10 mm
Supersport tot 600 cc
20-30 mm
5-10 mm
Superbike boven 600 cc
20-30 mm
5-10 mm
Tourmotor
25-35 mm
15-25 mm
Off road
30-50 mm
25-45 mm

De negatieve veerweg wordt ingesteld door de veervoorspanning, van voorvork en achterschokdemper(s, )hoger of lager te maken .

Tip: Zorg altijd voor een goede balans in de motor. Dat wil zeggen wanneer u op de motor gaat zitten let er dan op dat de voor- en achterkant gelijkmatig inzakken.

Negatieve veerweg met rijder

De beste manier om de veervoorspanning in te stellen is om te meten hoeveel de motor in de veren zakt met de rijder in rijpositie op de motor. Wanneer de veervoorspanning is ingesteld zoals hiervoor beschreven zonder rijder, kunt u controleren wat de negatieve veerweg is met berijder. Deze negatieve veerweg met rijder moet ongeveer 1/3 van de gehele veerweg bedragen, zowel voor als achter. Dit geldt ook wanneer er een duo en/of bagage mee gaat!


Let op: wanneer tijdens het rijden de veerweg aanslaat zonder dat er over een drempel, curbstone o.i.d. gereden wordt dient een hogere veervoorspanning te worden ingesteld. Anders verliezen de banden hun grip!

onderstuur

 

Uitgaande demping

Achtervering

Teveel uitgaande demping (ofwel rebound demping) veroorzaakt:

  • Het achterwiel springt over hobbels zodat het achterwiel de weg niet meer volgt.
  • Het achterwiel “stempelt” tijdens remmen.
  • Het houdt de achterkant laag waardoor er onderstuur ontstaat. De motor loopt dan naar de buitenkant van de bocht.
  • Tevens kan teveel demping er voor zorgen dat de schokbreker warm wordt waardoor de demping minder wordt.
Te weinig uitgaande demping veroorzaakt:
  • de achtervering “topt uit” waardoor de motor te krachtig uitveert zodat de achterband ook weer grip verliest.
  • Door snel uitveren zal de motor gaan slingeren of deinen in de bocht, wat een onstabiel rijgedrag met zich meebrengt.
     
Voorvering

Teveel uitgaande demping veroorzaakt:

  • Overstuur. Hierdoor zal de motor de binnenkant van de bocht opzoeken.
  • De grip van de voorband zal niet optimaal zijn.
  • Het geeft een gevoel dat de voorzijde diep blijft hangen in de bochten.
Te weinig uitgaande demping veroorzaakt:
  • Onderstuur. De motor zoekt de buitenkant van de bocht op.
  • De voorzijde voelt onstabiel aan. De motor slingert in de bocht.

Ingaande demping

Achtervering

Teveel ingaande demping (ofwel compression demping) veroorzaakt:

  • Het achterwiel gaat glijden of verliest zijn grip tijdens accelereren.
  • Wanneer er een hobbel genomen wordt voelt dit hard en oncomfortabel aan.
Te weinig ingaande demping veroorzaakt:
  • Het achterwiel dribbelt zijwaarts tijdens accelereren uit de bocht.
  • De achterkant van de motor zakt te veel in waardoor het voorwiel licht wordt en zijn grip verliest.
Voorvering

Teveel ingaande demping veroorzaakt:

  • Een goed gevoel bij hard aanremmen voor de bocht.
  • Wanneer er een hobbel genomen wordt voelt dit hard en oncomfortabel aan.•
Te weinig ingaande demping veroorzaakt:
  • Sterk duiken van de voorkant van de motor waardoor de achterband zijn grip verliest.
  • Wanneer de veerweg geheel gebruikt wordt kan de motor over het voorwiel wegglijden.
Advies bij afstellen van de ingaande demping van de voorvork:
  • De ingaande demping van de voorvork stelt men het best af in combinatie met de hoeveelheid olie in de voorvork.
  • Het olieniveau in de voorvork word niet gemeten in cc’s maar in mm’s luchtkamer bij compleet ingeveerde voorvork zonder de veer.
Veervoorspanning

Achtervering

Teveel veervoorspanning (preload) veroorzaakt:

  • Erg makkelijk insturen in de bocht.
  • Voelt hard en oncomfortabel aan.
  • Geeft weinig grip aan de achterband.
Te weinig veervoorspanning veroorzaakt:
  • Geeft veel grip onder acceleratie.
  • Geeft onderstuur tijdens uitaccelereren uit de bocht. De motor zoekt de buitenkant van de bocht op.
  • De motor zakt teveel in tijdens het nemen van een bocht. Hierdoor zal het omgooien
  • bij nemen van chicanes of rotondes zwaar aanvoelen.
  • Een licht gevoel in de voorkant, waardoor de motor niet stabiel aanvoelt.
Voorvering

Teveel veervoorspanning veroorzaakt:

  • Een goed gevoel tijdens aanremmen voor een bocht.
  • Geeft onderstuur. De motor zoekt de buitenkant van de bocht op.
  • Voelt hard en oncomfortabel aan tijdens nemen van bochten.
Te weinig veervoorspanning veroorzaakt:
  • Erg makkelijk insturen in de bocht.
  • Geeft overstuur. De motor zal de binnenkant van de bocht opzoeken.
  • Het inzakken van de motor tijdens het nemen van een bocht.
  • Slecht gevoel tijdens aanremmen van de bocht. In het ergste geval zal de voorvork aanslaan waardoor de voorkant gaat werken op de band.
  • Gripverlies tijdens aanslaan van de voorvork in de bocht.

Olieniveau in de voorvork

Kijk eerst in het werkplaatshandboek! De moderne voorvorken van het cartridge-type zijn erg gevoelig voor de hoeveelheid olie in de vork. De lucht in de voorvork werkt als een veer. Elke verandering in het olieniveau zal de voorvork makkelijker of moeilijker doen inveren. De luchtkamer gaat meewerken in het midden van de slag van de voorvork. Tegen het eind van de slag heeft de luchtkamer veel invloed op het al dan niet doorslaan van de vork.

Wanneer het olieniveau verhoogd wordt:

  • Zal de luchtkamer eerder gaan meewerken halverwege de slag van de voorvork. Hierdoor zal de voorvork harder aanvoelen.
  • Geeft een beter gevoel bij het aanremmen. Zeker wanneer er hard geremd wordt, of wanneer er met duo en/of bagage wordt gereden.
Wanneer het olieniveau verlaagd wordt:
  • Zal de luchtkamer later gaan meewerken. Hierdoor zal de voorvork zachter aanvoelen
  • De luchtkamer gaat pas effectief meewerken aan het eind van de slag van de vork.•
Tip: Vul de vork allereerst met de in het handboek aangegeven oliehoeveelheid.
1. Schokdemper cilinder
2. Schokdemper zuiger
3. Zuigerstang
4a Aanslagbuffer rond stang
4b Eindaanslag in demperhuis
5. Dempingsplaatjes (shims)
6. Bodem schokdemper
6a Kop schokdemper
7. Reservoir voor olie en stikstof
8. Stangdoorvoer met afdichtingen en glijbus
9. Bevestigingsoog
10 Veervoorspanningsverstelling
11 Schokdemper veer
12 Instelknop voor uitgaande demping
12a Instelknop high speed ingaande demping
12b Instelknop low speed ingaande demping
13 Lengteverstelling schokbreker
14 Scheidingszuiger tussen olie en stikstof
15 Stikstofbuffer
16 Verbindingsslang